Uitspraak
18 september 2015, 14/6777 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
4 juli 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag bij besluit van 4 juli 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 6 oktober 2014.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hoewel betrokkene stelde niet tot de VBL te worden toegelaten, is beroep tegen die weigering mogelijk bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarom werd het hoger beroep van het college gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor het opleggen van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep van het college gegrond, waarbij opvang in een VBL als voorliggende voorziening geldt.