Uitspraak
15 september 2015, 14/7285 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
2 juni 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Deze aanvraag werd op 2 juni 2014 afgewezen en het bezwaar van betrokkene werd bij besluit van 29 september 2014 ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een aan de Wmo voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hoewel betrokkene aanvoerde niet tot de VBL te worden toegelaten en dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek onrechtmatig was, achtte de Raad dit geen reden tot een ander oordeel. Het beroep tegen niet-toelating tot de VBL is voor de vreemdelingenrechter en de beoordeling van de rechtmatigheid van de voorwaarden is voorbehouden aan de staatssecretaris en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.