Uitspraak
15 september 2014, 14/6672 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
4 juli 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening en vernietigde het besluit van het college. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hoewel betrokkene aanvoerde niet tot de VBL te worden toegelaten, is er een rechtsgang mogelijk bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De Raad hoefde de overige gronden van het hoger beroep niet te beoordelen en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.