Uitspraak
4 september 2015, 14/6627 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
5 maart 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 5 maart 2014 afgewezen en het bezwaar daarop bij besluit van 29 augustus 2014 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Ondanks dat betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL, leidt dit niet tot een ander oordeel omdat tegen die weigering beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uiteindelijk over de rechtmatigheid beslist.
Het hoger beroep van het college slaagde, de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.