Uitspraak
4 september 2015, 14/4470 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag bij besluit van 24 januari 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 11 juli 2014.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hoewel betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL, is daartegen beroep mogelijk bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, zonder inhoudelijk op andere gronden in te gaan. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.