Uitspraak
4 september 2015, 14/5176 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
5 maart 2013 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen krachtens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag gedaan voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit en kende betrokkene recht toe op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat VBL-opvang voldoet aan de internationale verplichtingen tot opvang.
De Raad stelde dat het feit dat vreemdelingen niet altijd worden toegelaten tot de VBL niet leidt tot een ander oordeel, aangezien tegen weigering beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uiteindelijk over de rechtmatigheid beslist.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee het college in het gelijk werd gesteld. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wordt bevestigd.