Uitspraak
31 juli 2015, 15/1161 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
3 november 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag om maatschappelijke opvang ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 3 november 2014 afgewezen en het bezwaar van betrokkene werd op 6 februari 2015 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo, overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening. Het college stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel werd ondersteund door eerdere jurisprudentie. Het feit dat vreemdelingen niet altijd worden toegelaten tot de VBL leidt niet tot een ander oordeel, aangezien hiertegen beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uiteindelijk over de rechtmatigheid beslist.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.