Uitspraak
31 juli 2015, 14/7516 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens het koppelingsbeginsel van de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat opvang in een VBL als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt, mede omdat de VBL voldoet aan de internationale verplichtingen tot opvang. Het feit dat vreemdelingen niet altijd worden toegelaten tot de VBL leidt niet tot een ander oordeel, aangezien bezwaar mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de rechtmatigheid beslist.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De overige gronden van hoger beroep werden niet inhoudelijk beoordeeld. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.