ECLI:NL:CRVB:2016:3746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens beschikbaarheid VBL
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd afgewezen.
De rechtbank Amsterdam had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het college verplicht tot het bieden van opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hoewel betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL, staat hem de mogelijkheid van beroep bij de vreemdelingenrechter open en is de beoordeling van de rechtmatigheid van de toelatingsvoorwaarden voorbehouden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarmee slaagde het hoger beroep van het college en werd het vonnis van de rechtbank vernietigd. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.