ECLI:NL:CRVB:2016:3684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen beëindiging tijdelijk dienstverband ambtenaar OvJ in opleiding
Appellant was tijdelijk benoemd tot plaatsvervangend officier van justitie (OvJ) in opleiding. Na beëindiging van zijn detachering en opleiding in 2012 volgde een geschil over de voortzetting van zijn dienstverband. De Raad had in 2013 een tijdelijke benoeming voor één jaar uitgesproken. In 2014 werd appellant beoordeeld met een onvoldoende. Na onderhandelingen over een mogelijke verlenging werd het dienstverband per 1 januari 2015 beëindigd.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2015, waarin de financiële afwikkeling van het dienstverband werd geregeld en waarin de beëindiging definitief werd bevestigd. Dit bezwaar werd ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De Raad oordeelt dat het bezwaar wel ontvankelijk is en vernietigt het bestreden besluit voor zover het de niet-ontvankelijkverklaring betreft.
De Raad overweegt dat het dienstverband van rechtswege eindigt na de afgesproken periode en dat er geen vaste aanstelling is ontstaan door eerdere uitspraken. Ook is geen stilzwijgende verlenging van het dienstverband aangenomen. De beëindiging kan worden gedragen door de onvoldoende beoordeling van appellant. Het bezwaar wordt inhoudelijk ongegrond verklaard. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van het tijdelijke dienstverband wordt ontvankelijk verklaard maar inhoudelijk ongegrond verklaard.