Uitspraak
18 maart 2015, 14/10161 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant kreeg vanaf januari 2012 studiefinanciering als uitwonende, maar de minister herzag dit en kwalificeerde hem als thuiswonende. Dit leidde tot terugvordering van €5.825,10. Appellant voerde aan dat het huisbezoek onrechtmatig was, omdat hij niet goed was geïnformeerd en zich geïntimideerd voelde, en dat de minister onzorgvuldig had gehandeld.
De Raad oordeelde dat appellant toestemming had gegeven voor het huisbezoek na duidelijke uitleg over het doel en rechten, en dat het bewijs verkregen tijdens het huisbezoek niet buiten beschouwing hoeft te blijven. Het ontbreken van een huisbezoek aan het ouderlijk adres was niet onzorgvuldig, en de minister handelde binnen de wettelijke kaders.
De bevindingen van de controleurs, waaronder het ontbreken van persoonlijke spullen van appellant in de woning en tegenstrijdige verklaringen over zijn aanwezigheid, boden voldoende grondslag voor de herziening. De verklaringen van appellant en getuigen konden deze bevindingen niet voldoende weerleggen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van studiefinanciering en de terugvordering wegens onvoldoende weerlegging van het huisbezoek.