ECLI:NL:CRVB:2016:3585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.H.M. van de Ven
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij vanaf 1 januari 2011 een gezamenlijke huishouding voerde met appellant, hetgeen zij niet had gemeld. Op basis van verklaringen, observaties en getuigenverklaringen concludeerde het college dat appellanten beiden hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres en zorg voor elkaar droegen.
Appellanten voerden aan dat hun verklaringen onder druk waren afgelegd en dat zij geen advocaat mochten spreken, maar de Raad vond geen bewijs voor ontoelaatbare druk en concludeerde dat zij gehouden zijn aan hun verklaringen. De mantelzorgrelatie werd niet relevant geacht voor de beoordeling van het criterium gezamenlijke huishouding.
De rechtbank had de beroepen ongegrond verklaard, en de Centrale Raad bevestigt deze uitspraken met een verbetering van de motivering. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten, maar de verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen. De bijstand wordt terecht ingetrokken en teruggevorderd over de periode 2011 tot begin 2014.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding worden bevestigd; verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.