Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft het hoger beroep van de erven van een voormalig piloot die tussen 1954 en 1967 werkzaam was bij de Koninklijke Luchtmacht en in 2012 de diagnose maligne mesothelioom kreeg. De minister van Defensie werd aansprakelijk gesteld voor het niet treffen van veiligheidsmaatregelen tegen asbestblootstelling tijdens diens werkzaamheden.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat hoewel een causaal verband tussen de ziekte en werkzaamheden aanwezig kon zijn, de minister niet tekort was geschoten in zijn zorgplicht. Dit omdat de blootstelling aan asbest volgens deskundigen Houba en Koenen laag en niet langdurig was, en het specifieke gevaar van mesothelioom destijds niet bekend was.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de minister onnodig lang had gewacht met beslissen en onvoldoende onderzoek had gedaan, en dat het gevaar van mesothelioom eerder dan 1969 bekend was. De Raad oordeelde echter dat de minister zijn onderzoeksplicht had vervuld, dat de stand van de wetenschap in de periode 1954-1967 niet zodanig was dat de minister veiligheidsmaatregelen had moeten treffen, en dat de minister zijn zorgplicht niet had geschonden.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de procedure binnen de wettelijke termijn van vier jaar was afgerond.
Uitkomst: De minister heeft zijn zorgplicht niet geschonden en is niet aansprakelijk voor de gezondheidsschade door asbestblootstelling.