ECLI:NL:CRVB:2016:3424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet verschijnen op oproepgesprek
Appellant vroeg bijstand aan met ingang van 27 december 2013 en stond ingeschreven op een adres te Capelle aan den IJssel. Tijdens een diagnosegesprek gaf hij aan nog niet op dat adres te wonen vanwege financiële redenen. Op 25 februari 2014 probeerden fraudepreventiemedewerkers een huisbezoek af te leggen, maar troffen een andere bewoner aan die verklaarde dat appellant nog niet woonde op het opgegeven adres. Vervolgens liet het college een brief achter met een uitnodiging voor een gesprek op 27 februari 2014, waar appellant niet op verscheen.
Het college wees de aanvraag af en vorderde het voorschot terug omdat het gesprek noodzakelijk was om het recht op bijstand vast te stellen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de brief aannemelijk bij appellant was bezorgd, mede gesteund door een verklaring van een buurman.
In hoger beroep betoogde appellant dat het niet bewezen was dat hij de brief had ontvangen en dat het memo tegenstrijdigheden bevatte. De Raad oordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat de oproep was bezorgd, dat de tegenstrijdigheden in het memo niet relevant waren, en dat het risico van niet-tijdige kennisname voor rekening van appellant kwam. Omdat appellant niet verscheen en zijn woonsituatie onduidelijk bleef, was het recht op bijstand niet vast te stellen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag omdat appellant niet is verschenen op het gesprek en de oproep aannemelijk is bezorgd.