ECLI:NL:CRVB:2016:3307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.H.M. van de Ven
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Onterecht herziening bijstand wegens lening zonder inkomen in bijstandperiode
Appellante vroeg algemene bijstand aan en kreeg deze toegekend met ingang van 20 mei 2014. Later ontdekte het dagelijks bestuur dat zij op 5 juni 2014 € 500,- van een derde had ontvangen, omschreven als lening. Het bestuur herzag daarop haar bijstand over juni 2014 en bracht het bedrag in mindering, stellende dat het als middel moest worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond omdat niet aannemelijk was dat er een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestond. In hoger beroep stelde appellante dat zij geen ander inkomen had en dat de lening daadwerkelijk moest worden terugbetaald. De Raad stelt dat kasstortingen en bankbijschrijvingen in principe als middelen gelden, maar dat in uitzonderlijke gevallen, zoals hier, een lening in een periode zonder inkomen niet als middel mag worden gezien.
Appellante maakte aannemelijk dat zij geen ander inkomen had en dat de lening bedoeld was voor levensonderhoud. De Raad oordeelt dat het bedrag van € 500,- niet als inkomen kan worden aangemerkt en dat het dagelijks bestuur ten onrechte de bijstand heeft herzien. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het bestreden besluit herroepen en het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van de bijstand over juni 2014 wordt vernietigd omdat de lening niet als middel mag worden aangemerkt.