Uitspraak
11 februari 2015, 14/1137 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 1982 werkzaam bij de gemeente Leeuwarden en functioneerde sinds 2010 in een specifieke functie. Vanaf november 2011 werd zij meerdere malen aangesproken op haar onvoldoende functioneren, met concrete voorbeelden zoals het niet nakomen van afspraken en onvoldoende klantgerichtheid. Ondanks een verbetertraject en ondersteuning kon zij haar functioneren niet op het gewenste niveau brengen.
Na ziekte en arbeidsongeschiktheid werd appellante in juni 2013 eervol ontslagen wegens ongeschiktheid voor haar functie, met een re-integratiefase van twaalf maanden. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en tegen afwijzing van haar sollicitaties op andere functies binnen de gemeente. De rechtbank oordeelde grotendeels in het voordeel van het college, maar stelde de vergoeding van proceskosten deels vast.
In hoger beroep stelde appellante onder meer dat de ontslagdatum onjuist was en dat het college onvoldoende concreet had onderbouwd dat zij onvoldoende functioneerde. De Raad stelde vast dat het college voldoende concreet had gemaakt op welke punten appellante tekortschiet en dat zij voldoende gelegenheid had gekregen om zich te verbeteren. Het verbetertraject werd als niet zinvol beoordeeld vanwege haar weigering tot medewerking.
De Raad oordeelde verder dat het college terecht afwees dat appellante geschikt was voor andere functies, gezien haar tekortkomingen en veranderde functie-eisen. Ook werd geoordeeld dat er geen aanwijzingen waren voor een medische oorzaak van het disfunctioneren. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover de ontslagdatum onjuist was vastgesteld en bevestigde de rest van de uitspraak. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het ontslag wordt bevestigd met een gecorrigeerde ontslagdatum, het hoger beroep wordt verder afgewezen en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.