ECLI:NL:CRVB:2016:3162
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hogere indicatie persoonlijke verzorging op grond van AWBZ bevestigd
Appellant, geboren in 1970, met diverse medische klachten waaronder diabetes mellitus type 2, perifere neuropathie en pijnklachten, verzocht om een indicatie voor zorg op grond van de AWBZ voor persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding. Het CIZ wees de aanvraag aanvankelijk af, maar kende na bezwaar een indicatie toe voor persoonlijke verzorging klasse 1, specifiek voor het aan- en uittrekken van elastische kousen.
Appellant ging in hoger beroep tegen de afwijzing van een hogere indicatie, stellende dat hij ook hulp nodig had bij wassen en aankleden en meer tijd voor het aan- en uittrekken van de kousen. Hij voerde aan dat er geen sprake was van een voorliggende voorziening.
De Raad concludeerde dat het medisch advies waarop het CIZ zich baseerde zorgvuldig en juist was. De medische gegevens toonden niet aan dat appellant niet zelfstandig, met hulpmiddelen en in eigen tempo, zijn overige persoonlijke verzorging kon uitvoeren. Ook was onvoldoende onderbouwd waarom de normtijd voor het aan- en uittrekken van de kousen onvoldoende zou zijn. Er was geen reden om meer AWBZ-zorg toe te kennen naast of voorafgaand aan zorg op grond van de Zorgverzekeringswet.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van een hogere indicatie voor persoonlijke verzorging klasse 1 onder de AWBZ.