ECLI:NL:CRVB:2016:3149
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buiten behandeling laten IOAW-aanvraag wegens niet tijdig overleggen gevraagde stukken
Appellante diende een aanvraag in voor een IOAW-uitkering na het einde van haar WW-uitkering. Het college verzocht haar meerdere malen om aanvullende stukken, waaronder bankafschriften van betaal- en spaarrekeningen, binnen een gestelde termijn aan te leveren. Appellante leverde niet alle gevraagde stukken tijdig aan. Het college liet de aanvraag daarom buiten behandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en deze uitspraak werd in hoger beroep bevestigd. Appellante voerde aan dat zij de eerste brief niet had ontvangen, dat zij onduidelijkheid had over de gevraagde stukken en dat het college ten onrechte haar latere aanbod om alsnog stukken te overleggen niet had geaccepteerd. De Raad oordeelde dat het college bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te laten nadat appellante de gelegenheid had gekregen om de stukken aan te vullen en dat de door appellante aangevoerde gronden niet slaagden.
De Raad benadrukte dat het op appellante rustte om tijdig om opheldering te vragen bij onduidelijkheid en dat het college terecht de bankafschriften van spaarrekeningen opvroeg om een volledig beeld te krijgen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college de aanvraag buiten behandeling mocht laten wegens niet tijdig overleggen van gevraagde stukken.