ECLI:NL:CRVB:2016:3036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen sturingsmaatregel beheer facturen- en uitzendkrachtenbak
Appellante was werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en kreeg tijdelijk de opdracht om 100% van haar tijd de facturen- en uitzendkrachtenbak te beheren, wat haar inkoopwerkzaamheden beperkte. Na bezwaar tegen de brief van 22 juli 2013 waarin deze opdracht werd bevestigd, verklaarde de minister dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat het geen besluit zou betreffen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat terugkeer naar haar oorspronkelijke cluster niet meer reëel zou zijn. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel degelijk belang had bij een oordeel over de werkzaamheden, omdat deze bepalend zijn bij een eventuele reorganisatie en functievolging.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het procesbelang had ontzegd, mede omdat het ontslagbesluit later was ingetrokken en er nog geen bodemprocedure had plaatsgevonden over terugkeer. De brief van 22 juli 2013 werd beschouwd als een normaal sturingsmiddel en geen besluit in de zin van de Awb, waardoor bezwaar niet mogelijk was.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot niet-ontvankelijkheid bezwaar wordt ongegrond verklaard omdat de brief een normaal sturingsmiddel betreft en geen besluit in de zin van de Awb.