ECLI:NL:CRVB:2016:3014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding op bijstand ter aflossing vordering ondanks bezwaar
Appellanten ontvingen bijstand en een arbeidsongeschiktheidsuitkering die het college niet aanvankelijk in mindering bracht op de bijstand. Het college herzag dit en vorderde terug te veel ontvangen bijstand terug, waarbij het ook inhoudingen op de bijstand toepaste.
Appellanten maakten bezwaar tegen de inhouding, stellende dat de vordering al was tenietgegaan door toepassing van de zesmaandenjurisprudentie en door verrekening met een nabetaling van het UWV. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de zesmaandenjurisprudentie niet op de betreffende vordering was toegepast en dat de nabetaling van het UWV was verrekend met andere vorderingen, waardoor de vordering niet was komen te vervallen. De inhouding was een herhaling van een eerdere beslissing en het bezwaar was terecht niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de inhouding op de bijstand ter aflossing van de vordering rechtmatig is en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk dan wel ongegrond.