Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:3011

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 augustus 2016
Publicatiedatum
10 augustus 2016
Zaaknummer
15/2824 WIA T
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over onvoldoende gemotiveerd UWV-besluit inzake arbeidsongeschiktheid door ziekte van Menière

Appellante, arbeidsongeschikt geworden door de ziekte van Menière, hart- en psychische klachten, kreeg van het UWV geen WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en baseerde zich op een verzekeringsartsrapport en functionele mogelijkhedenlijst (FML).

Appellante ging in hoger beroep en betwistte de beoordeling van haar beperkingen en de geschiktheid van functies. De Raad schakelde een onafhankelijke kno-arts in, die concludeerde dat appellante verminderd gehoor en evenwichtsproblemen heeft, waardoor zij een bewegingsarme functie nodig heeft en werken aan een beeldscherm problematisch is.

De Raad constateerde dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met deze beperkingen, met name met betrekking tot beeldschermwerk, bewegingsarme functies, het aantal uren werken en nachtdiensten. Het UWV-besluit is daardoor onvoldoende gemotiveerd. De Raad draagt het UWV op de FML aan te passen en de geschiktheid van functies opnieuw te beoordelen.

De stelling van appellante dat zij een medische afzakker is, wordt verworpen omdat onvoldoende is aangetoond dat de functiewijziging uitsluitend medische redenen heeft. De uitspraak is een tussenuitspraak die het UWV zes weken geeft om het besluit te herstellen.

Uitkomst: Het UWV-besluit is onvoldoende gemotiveerd; de functionele mogelijkhedenlijst moet worden aangepast en de geschiktheid van functies opnieuw beoordeeld.

Uitspraak

15/2824 WIA-T
Datum uitspraak: 5 augustus 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 maart 2015, 13/2848 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.D. Koren hoger beroep ingesteld.
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft prof. dr. C.W.R.J. Cremers, oorheelkundig expert, op
4 februari 2016 verslag uitgebracht en advies ingediend over de gezondheidstoestand van appellante.
Partijen hebben hierop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Koren en vergezeld door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is werkzaam geweest als verpleegkundige respectievelijk verzorgende. Op
4 oktober 2010 is zij arbeidsongeschikt geworden wegens de ziekte van Menière, hart- en psychische klachten.
1.2.
Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 21 september 2012 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 15 maart 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet in geschil is dat bij appellante sprake is van de ziekte van Menière en dat zij als gevolg daarvan beperkingen bij het verrichten van arbeid ondervindt. Wel in geschil is de ernst, de frequentie en de duur van de Menière-aanvallen. De rechtbank heeft een deskundige kno-arts ingeschakeld. Deze concludeert dat appellante volledig arbeidsongeschikt is maar ook dat dit standpunt niet geobjectiveerd kan worden. Dit is voor de rechtbank reden de deskundige niet te volgen. Het door de deskundige uitgebrachte rapport voldoet niet aan de eisen van zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en consistentie. De rechtbank gaat vervolgens uit van de door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Wat betreft de arbeidskundige kant van de zaak is overwogen dat appellante niet heeft aangetoond dat er een medische noodzaak was die er toe noopte dat zij niet langer als verpleegkundige werkzaam kon zijn. Terecht is het Uwv dan ook uitgegaan van het werk als verzorgende voor de vaststelling van de maatman. De geduide functies zijn passend voor appellante; met verhoogd ziekteverzuim is voldoende rekening gehouden want de functies zijn tot maximaal 23 uur per week.
3.1.
Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. Zij acht voldoende redenen aanwezig om de door de rechtbank ingeschakelde deskundige wel te volgen. Ter motivering van haar standpunt heeft zij een rapport van verzekeringsarts R.A. Hollander van 13 augustus 2015 overgelegd. Appellante stelt dat de arbo-arts heeft geadviseerd haar op een afdeling te plaatsen zonder avond/nachtdiensten.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering hem overtuigend voorkomt. Het uitgebrachte rapport dient blijk te geven van een zorgvuldig onderzoek en moet inzichtelijk, consistent en concludent zijn. Het rapport van Cremers voldoet aan deze eisen.
4.2.
Cremers concludeert dat bij appellante sprake is van verminderd gehoor rechts en van een verminderde evenwichtsfunctie. Als gevolg daarvan is zij aangewezen op een bewegingsarme functie in een stabiele niet bewegende omgeving en werken achter een beeldscherm is problematisch. Er is sprake van verminderde inzetbaarheid na een duizeligheidsaanval bij appellante omdat haar instabiliteit/duizeligheid nog tot zeker in de volgende dag doorwerkt. Met de urenbeperking tot 30 uur per week in de geduide functies maximaal tot 23 uur per week is onvoldoende rekening gehouden met het verhoogd ziekteverzuim, omdat bij appellante de dag na een felle aanval nog hinderlijke instabiliteit kan bestaan.
4.3.
Hieruit volgt dat in de FML op een aantal punten onvoldoende beperkingen zijn opgenomen. De Raad denkt hierbij onder meer aan item 4.6 in verband met het werken aan een beeldscherm, items 4.10, 4.12 en 4.17 in verband met de behoefte aan een bewegingsarme functie alsmede items 6.1, 6.2 en 6.3 omdat appellante geen 23 uur per week kan werken en geen nachtdiensten kan doen. Het bestreden besluit is niet voldoende gemotiveerd. De verzekeringsarts (bezwaar en beroep) zal de FML in bovengenoemde zin moeten aanpassen. Vervolgens zal moeten worden beoordeeld of de geduide functies voor appellante nog geschikt zijn.
4.4.
De stelling van appellante dat zij moet worden aangemerkt als een medische afzakker slaagt niet. De Raad sluit aan bij wat de rechtbank in rechtsoverweging 6.1 heeft overwogen. Appellante heeft ook in hoger beroep onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de overstap naar de functie van verzorgende enkel om medische redenen is geweest.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 15 maart 2013 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en
P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2016.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) I.G.A.H. Toma

SS