ECLI:NL:CRVB:2016:300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op WAO-uitkering na medisch onderzoek en arbeidsdeskundig oordeel
Appellante, voormalig operatieassistente, viel in 1998 uit wegens bekkeninstabiliteit en kreeg vanaf 1999 een WAO-uitkering toegekend. In 2008 werd haar uitkering stopgezet wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Na melding van verslechterde gezondheid in 2011 werd zij opnieuw medisch onderzocht door een orthopedisch chirurg en verzekeringsarts, die beperkingen vaststelden en een arbeidsdeskundige inschatte dat zij 21,29% arbeidsongeschikt was.
Het Uwv handhaafde dit besluit na bezwaar, waarop appellante beroep instelde bij de rechtbank die het besluit bevestigde. In hoger beroep stelde appellante dat het medisch onderzoek onvoldoende was en vroeg om een onafhankelijke orthopedisch chirurg. Zij voerde aan dat zij slechts 18 uur per week kon werken en verwees naar aanvullende medische rapporten.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en uitgebreid was, dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat er geen nieuwe medische feiten waren die het standpunt van de verzekeringsarts zouden wijzigen. De Raad vond geen aanleiding voor een urenbeperking en bevestigde dat de functies passend waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op een WAO-uitkering van 15 tot 25% blijft gehandhaafd.