Uitspraak
20 september 2012, 11/3459 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
BESLISSING
€ 156,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college tot terugvordering van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellante niet had aangetoond dat het beroepschrift tijdig was ingediend. In hoger beroep stelde appellante dat het beroepschrift op 24 februari 2011 in aanwezigheid van een getuige in de brievenbus van het college was gedeponeerd, binnen de beroepstermijn.
De Raad oordeelde op basis van de getuigenverklaring en een ondertekende verklaring dat het beroepschrift inderdaad tijdig was ingediend. Op grond van artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend, tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, wat hier niet het geval was.
De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de door appellante gemaakte reiskosten en griffierechten in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep van appellante is tijdig ingediend, de niet-ontvankelijkverklaring van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.