ECLI:NL:CRVB:2016:2952

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 augustus 2016
Publicatiedatum
3 augustus 2016
Zaaknummer
12/5879 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:15 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep bij terugvordering WWB-bijstand

Appellante had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college tot terugvordering van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellante niet had aangetoond dat het beroepschrift tijdig was ingediend. In hoger beroep stelde appellante dat het beroepschrift op 24 februari 2011 in aanwezigheid van een getuige in de brievenbus van het college was gedeponeerd, binnen de beroepstermijn.

De Raad oordeelde op basis van de getuigenverklaring en een ondertekende verklaring dat het beroepschrift inderdaad tijdig was ingediend. Op grond van artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend, tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, wat hier niet het geval was.

De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de door appellante gemaakte reiskosten en griffierechten in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep.

Uitkomst: Het beroep van appellante is tijdig ingediend, de niet-ontvankelijkverklaring van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

12/5879 WWB
Datum uitspraak: 3 augustus 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van
20 september 2012, 11/3459 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de [werkgever] (college)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Betrokkene is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok. Als getuige is gehoord [naam getuige], wonende te [plaatsnaam].

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 28 juli 2010 heeft het college een bedrag van € 19.243,09 aan verleende bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van appellante teruggevorderd.
1.2.
Bij besluit van 19 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 juli 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet‑ontvankelijk verklaard omdat appellante niet heeft aangetoond dat zij de voor het instellen van het beroep gestelde termijn in acht heeft genomen en niet is gebleken dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. De verklaring van 18 september 2011 van de dochter van appellante, die bij de [werkgever] werkt, geeft slechts aan dat het beroepschrift van 3 februari 2011 in februari 2011 bij de interne post van de [werkgever] is gelegd en bewijst niet dat het beroepschrift tijdig door het college is ontvangen.
3.1.
Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het beroepschrift binnen de beroepstermijn bij het college is ingediend en dat het beroepschrift hiermee tijdig is ingediend. Zij wijst er op dat het beroepschrift niet alleen door haar dochter bij de interne post van [werkgever] is gelegd maar dat appellante het beroepschrift ook op 25 februari 2011 om 21.40 uur in aanwezigheid van [naam getuige] in een gesloten envelop in de brievenbus van de [werkgever] heeft gedeponeerd.
3.2.
Het college heeft zich achter de aangevallen uitspraak gesteld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:15, eerste lid, van de Awb wordt, indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, het zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Ingevolge het derde lid is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
4.2.
Niet in geschil is dat het bestreden besluit op 19 januari 2011 bekend is gemaakt, zodat de beroepstermijn liep tot en met 2 maart 2011.
4.3.
Gezien de ter zitting van de Raad onder ede afgelegde getuigenverklaring van [naam getuige] en de door hem op 25 februari 2011 opgestelde en ondertekende en op 12 augustus 2011 geregistreerde verklaring, acht de Raad voldoende aannemelijk dat appellante het beroepschrift tegen het bestreden besluit in het bijzijn van [naam getuige] op 24 februari 2011 in de brievenbus van de [werkgever] heeft gedeponeerd. Dit betekent dat het beroepschrift op 24 februari 2011 bij het college is ingediend. Op grond van artikel 6:15, derde lid, van de Awb is dit tijdstip bepalend voor de vraag of appellante tijdig beroep heeft ingesteld bij de rechtbank, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Van dit laatste is niet gebleken. Nu de beroepstermijn op 24 februari 2011 nog liep is het beroep tijdig ingediend en heeft de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
4.4.
Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu de rechtbank niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil ziet de Raad aanleiding de zaak ter verdere behandeling terug te wijzen naar de rechtbank.
5. Het college wordt veroordeeld in de reiskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Appellante heeft in beroep en in hoger beroep bonnen overgelegd van door haar betaalde taxikosten in verband met het bijwonen van de zittingen. Nu de Raad uit de gedingstukken is gebleken dat reizen met het openbaar vervoer voor appellante niet mogelijk is, komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten bedragen, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht dat uitgaat van een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer, in beroep € 19,60 en in hoger beroep € 28,-. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 47,60;
- bepaalt dat het college het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
€ 156,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2016.
(getekend) J.P.A. Boersma
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

SS