De zaak betreft het hoger beroep tegen de weigering van het UWV om aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen. In een eerdere tussenuitspraak was vastgesteld dat het UWV een gebrek in de motivering van het besluit had. Het UWV heeft vervolgens een zorgvuldige herbeoordeling laten uitvoeren door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een onafhankelijke psychiater, die concludeerden dat er geen sprake was van een aanmerkelijke toename van arbeidsongeschiktheid sinds 2008, afgezien van een korte terugval in 2011.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV het gebrek in de motivering heeft hersteld met een gemotiveerd deskundigenrapport dat overtuigend is en dat appellant op grond daarvan geen aanspraak kan maken op een WIA-uitkering. Verder is overwogen dat de beperkingen van appellant in 2008 mogelijk licht zijn overschat, maar dat dit niet leidt tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan eerder vastgesteld.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht vergoedt.