ECLI:NL:CRVB:2016:288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid functies en toekenning loongerelateerde WGA-uitkering
Appellante meldde zich ziek met schouderklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV wees deze aanvankelijk af vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na bezwaar en beroep werd dit standpunt bevestigd door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen onderschat waren en dat zij niet geschikt was voor de geselecteerde functies. Het UWV volgde dit niet, maar erkende dat een functie wegens opleidingseisen niet passend was en kende uiteindelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een verlies aan verdiencapaciteit van 54,85%.
De Raad vernietigde het eerste besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar verklaarde het latere besluit tot toekenning van de uitkering gegrond. De medische beoordeling van de verzekeringsartsen werd als juist bevestigd, waarbij de klachten en beperkingen van appellante zorgvuldig waren meegewogen. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het tweede besluit ongegrond verklaard, met toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering en veroordeling van het UWV in proceskosten.