ECLI:NL:CRVB:2016:2844
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor soortgelijke arbeid
Appellant was productiemedewerker en meldde zich ziek met rugklachten nadat zijn dienstverband was beëindigd. Het UWV stelde op basis van een medisch onderzoek vast dat appellant geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid en besloot zijn ziekengeld te beëindigen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellant overtuigend waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat de werkzaamheden te belastend waren en dat hij niet kon afwisselen tussen staan, lopen en zitten zoals de verzekeringsarts had aangenomen. Het UWV voegde een arbeidsdeskundig rapport toe waaruit bleek dat appellant niet geschikt was voor zijn eigen werk bij zijn voormalige werkgever, maar wel voor soortgelijke werkzaamheden bij andere werkgevers.
De Raad oordeelde dat het begrip 'zijn arbeid' in dit geval moet worden verruimd tot werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever kenmerkend zijn. De Raad vond het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en overtuigend en concludeerde dat appellant geschikt is voor dergelijke werkzaamheden. Daarom is het besluit tot beëindiging van het ziekengeld terecht en wordt het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.