ECLI:NL:CRVB:2016:2842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing recht op Ziektewetuitkering na 17 augustus 2014 ondanks verslechtering medische situatie
Appellant was procesoperator en meldde zich op 5 april 2013 ziek met armklachten. Na een Eerstejaars Ziektewet-beoordeling in februari 2014 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast, vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het UWV besloot per 10 maart 2014 het ziekengeld te beëindigen, later aangepast tot 17 augustus 2014 na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat de FML juist was en dat appellant geschikt was voor geduide functies. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten, waaronder psychische problemen en fysieke beperkingen, onvoldoende waren meegewogen en dat zijn medische situatie op 2 december 2014 verslechterd was, wat recht op ziekengeld zou rechtvaardigen.
De Raad volgde de rechtbank en het UWV in dat de beoordeling zorgvuldig was, met voldoende rekening gehouden met alle klachten. De verslechtering na 17 augustus 2014 was erkend, maar had geen terugwerkende kracht op het bestreden besluit. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 juli 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellant na 17 augustus 2014 geen recht meer had op ziekengeld.