Appellante, met de Nederlandse en Turkse nationaliteit, woonde sinds 2002 in Italië waar zij een gezin stichtte. Op 20 december 2011 keerde zij met haar kinderen terug naar Nederland, waar zij bij familie introk en zich inschreef in de gemeentelijke basisadministratie. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde kinderbijslag over de periode van het vierde kwartaal 2011 tot en met juli 2012, omdat zij meende dat appellante nog geen duurzame band met Nederland had.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante niet als ingezetene kon worden aangemerkt. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de beoordeling moet geschieden aan de hand van het begrip 'woonplaats' volgens Verordening (EG) 883/2004 en niet het begrip ingezetenschap uit de AKW.
De Raad stelt vast dat appellante vanaf haar terugkeer in Nederland de intentie had haar woonplaats te verplaatsen en dat zij vanaf dat moment haar normale woonplaats en centrum van belangen in Nederland had. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak voor zover deze betrekking hebben op het tweede kwartaal van 2012 en juli 2012 en bepaalt dat appellante recht heeft op kinderbijslag over deze periode. Tevens wordt de Svb veroordeeld in de proceskosten.