ECLI:NL:CRVB:2016:2786

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juli 2016
Publicatiedatum
22 juli 2016
Zaaknummer
14-7037 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-gemelde inkomsten

Appellant ontving bijstand van november 2005 tot september 2008. Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek verrichtte de sociale recherche een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Op basis van dit onderzoek trok het dagelijks bestuur de bijstand in over bepaalde perioden en vorderde de kosten terug wegens niet-gemelde inkomsten uit verkoop van aloëvera producten, autohandel en handel in verdovende middelen.

Appellant betwistte het besluit en stelde dat hij niet aan de afgelegde verklaring gehouden kon worden vanwege psychische belemmeringen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat de verklaring tegenover de sociale recherche in beginsel juist is en dat de psychische klachten van appellant niet leiden tot het niet kunnen afleggen van een betrouwbare verklaring. De verklaring wordt ondersteund door eerdere politieverklaringen en een strafrechtelijk vonnis. Het bestreden besluit heeft daarmee een voldoende grondslag en het hoger beroep wordt verworpen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.

Uitspraak

14/7037 WWB
Datum uitspraak: 19 juli 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
13 november 2014, 14/1616 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de regionale sociale dienst Pentasz Mergelland (dagelijks bestuur)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J.H.S. Thomassen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.M. Nijsten, opvolgend gemachtigde. Het dagelijks bestuur heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving van 4 november 2005 tot en met 30 september 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.
1.2.
Naar aanleiding van een tegen appellant ingesteld strafrechtelijk onderzoek heeft de Sociale Recherche Pentasz Mergelland (sociale recherche) onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De sociale recherche heeft kennis genomen van het in het strafrechtelijk onderzoek opgemaakte proces-verbaal en appellant op 4 augustus 2010 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 juli 2012.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 15 mei 2013 de bijstand van appellant in te trekken over de periode van 4 november 2005 tot en met 7 september 2006 en over de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 september 2008 en de over deze perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 18.671,91 van appellant terug te vorderen.
1.4.
Bij besluit van 10 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 mei 2013 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft gemeld dat hij inkomsten heeft ontvangen uit de verkoop van aloëvera producten, het repareren en de verkoop van auto’s en van handel in verdovende middelen. Door geen melding te maken van deze op geld waardeerbare werkzaamheden heeft appellant het dagelijks bestuur de mogelijkheid ontnomen tijdig een onderzoek in te stellen naar de feitelijke situatie. Appellant heeft geen administratie overgelegd. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen perioden lopen van 4 november 2005 tot en met 7 september 2006 en van 1 januari 2008 tot en met 30 september 2008.
4.2.
Appellant betwist dat hij aan de door hem tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring kan worden gehouden. Die grond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Uit de door appellant overlegde passage uit het reclasseringsrapport van 11 mei 2010 en de brief van de gezondheidspsycholoog/psychotherapeut van 11 december 2009 blijkt dat appellant leed aan een depressie, een chronische PTSS en angstklachten, waarvoor hij in 2009 is behandeld. Deze behandeling is afgebroken in verband met detentie van appellant. In detentie heeft appellant gesprekken met een psycholoog en daarna maandelijkse gesprekken met een psychiater gehad. Het contact met de psychiater is beëindigd omdat volgens de psychiater geen behandeling geïndiceerd was. Dat appellant redelijk snel te beïnvloeden is, zoals het reclasseringsrapport vermeldt, betekent niet dat appellant zijn verklaringen niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd of wegens psychische problemen niet naar waarheid over zijn feitelijke bezigheden heeft kunnen verklaren. Appellant heeft tijdens het gehoor op 4 augustus 2010 verklaard dat hem alles duidelijk was, dat hij goed is behandeld en absoluut niet onder druk is gezet en hij heeft zijn verklaring ondertekend. Bovendien vindt zijn verklaring dat hij in 2005 zijn vriendin begon te helpen met de verkoop van aloëvera producten en dat hij dit een half jaar heeft gedaan ondersteuning in de verklaring die appellant eerder bij de politie heeft afgelegd, in de omstandigheid dat hij begin 2006 distributeur was van aloëvera producten en het feit dat hij daar visitekaartjes van had. Op het punt van de handel in verdovende middelen vindt de verklaring van appellant op 4 augustus 2010 bevestiging in het vonnis van de rechtbank Maastricht, sector strafrecht, van 14 juli 2009, waarvan appellant de juistheid niet heeft betwist.
4.3.
Gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat het bestreden besluit een voldoende grondslag heeft als van de juistheid van de door appellant tegen de sociale recherche afgelegde verklaring kan worden uitgegaan. Dit betekent de overige gronden van appellant hier geen bespreking behoeven.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en M. ter Brugge en
J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van B Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2016.
(getekend) P.W. van Straalen
De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD