ECLI:NL:CRVB:2016:2783
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant had sinds 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering vanwege allergisch astma, COPD en gevolgen van dengue. In 2011 werd vastgesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waarna zijn uitkering werd beëindigd. Na meldingen van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2012 en 2013 stelde het UWV vast dat er geen toename was van beperkingen gerelateerd aan de oorspronkelijke aandoeningen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn long- en hartklachten waren toegenomen en overhandigde medische rapporten van specialisten. Het UWV betoogde dat de hartklachten niet relevant waren voor de WIA-uitkering omdat deze niet voortkwamen uit de oorspronkelijke oorzaak. De Raad volgde het UWV en de rechtbank in hun oordeel dat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak.
De Raad concludeerde dat het recht op een WGA-uitkering alleen herleeft als de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als waarvoor eerder een uitkering werd toegekend. De medische stukken gaven geen aanleiding het standpunt van het UWV te wijzigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak.