ECLI:NL:CRVB:2016:2669

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2016
Publicatiedatum
14 juli 2016
Zaaknummer
16/3924 AW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 ARARArt. 80 ARARArt. 81 ARARArt. 8:104 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ontslag ambtenaar Belastingdienst

Verzoekster, werkzaam bij de Belastingdienst, werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim na het indienen van onjuiste belastingaangiften over 2012 en 2013. De staatssecretaris legde haar op 4 augustus 2015 ontslag op, wat bij besluit van 14 december 2015 werd gehandhaafd. Verzoekster stelde hoger beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.

De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek om voorlopige voorziening niet bedoeld is om de hoofdzaak te versnellen door middel van 'kortsluiting'. Verzoekster stelde dat het wachten op de bodemprocedure haar terugkeer in het arbeidsproces bemoeilijkt, maar de staatssecretaris verklaarde dat zij terug kan keren indien het ontslag onterecht blijkt. Hierdoor ontbrak het spoedeisend belang.

De voorzieningenrechter concludeerde dat geen aanleiding bestaat voor een voorlopige voorziening en wees het verzoek af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het ontslagbesluit van de ambtenaar wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

16/3924 AW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[naam 1] te [woonplaats] (verzoekster)
de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
Datum uitspraak: 14 juli 2016
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2016, 16/516 (aangevallen uitspraak).
Verzoekster heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2016. Verzoekster is in persoon verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Populiers.

OVERWEGINGEN

1.1.
Verzoekster was van 1 mei 1989 tot 1 januari 2000 werkzaam bij het Ministerie van Financiën en sinds 1 januari 2000 bij de Belastingdienst, laatstelijk als [functie en schaal], bij het team [naam 2]
1.2.
Op 18 februari 2015 ontving de staatssecretaris het bericht dat onregelmatigheden waren ontdekt in aangiften IB van verzoekster over de jaren 2012 en 2013. Omdat op basis daarvan het vermoeden rees dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, heeft de Belastingdienst een onderzoek ingesteld. Daartoe is ontheffing verleend van de fiscale geheimhoudingsplicht voor de gegevens uit de aangiften 2012 en 2013.
1.3.
Na het voornemen daartoe waarover verzoekster haar zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft de staatssecretaris haar bij besluit van 4 augustus 2015 met toepassing van de artikelen 50, eerste lid, 80 en 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement met ingang van 6 augustus 2015 de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd. Bij besluit van 14 december 2015 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 4 augustus 2015 ongegrond verklaard.
1.4.
Het aan verzoekster verweten plichtsverzuim bestaat uit het indienen van onjuiste aangiften over de jaren 2012 en 2013. Zij heeft voor die jaren in totaal voor circa € 24.000,- aan aftrekposten opgegeven, bestaande uit specifieke zorgkosten, studiekosten en giften, zonder daarvan bewijsstukken over te (kunnen) leggen. Verder moest het vermogen in box 3 met een aanzienlijk bedrag worden gecorrigeerd. Op grond van de verhoogde graad van zorgvuldigheid die geldt voor medewerkers van de Belastingdienst had verzoekster ervoor moeten zorgen dat zij vijf jaar stukken ter onderbouwing van de opgevoerde aftrekposten had. Bovendien had verzoekster op een juiste wijze haar vermogen moeten opgeven. Door deze twee zaken na te laten, heeft verzoekster niet voldaan aan de verhoogde graad van zorgvuldigheid en zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Niet gebleken is dat het plichtsverzuim verzoekster niet toe te rekenen is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
3.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.2.
Verzoekster, die niet in financiële problemen verkeert en op 8 november 2016 met pensioen zal gaan, heeft ter zitting verklaard dat zij met het verzoek om voorlopige voorziening beoogt een beslissing in de hoofdzaak te bespoedigen. Als spoedeisend belang heeft zij gesteld dat het wachten op de behandeling van de bodemzaak haar terugkeer in het arbeidsproces vrijwel onmogelijk maakt, omdat tijdens die periode haar kennis en ervaring verloren gaan en niet meer worden onderhouden.
3.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2531) is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen niet bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.
3.4.
De staatssecretaris heeft ter zitting verklaard dat verzoekster terug kan keren naar de Belastingdienst indien het ontslagbesluit in hoger beroep geen stand zou houden. Dat zij haar kennis en ervaring niet heeft kunnen onderhouden zal haar terugkeer dan niet in de weg staan.
3.5.
Uit 3.3 en 3.4 volgt dat in wat verzoekster heeft aangevoerd geen spoedeisend belang is gelegen, zodat er geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook afwijzen.
4. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2016.
(getekend) J.N.A. Bootsma
(getekend) L.V. van Donk

HD