ECLI:NL:CRVB:2016:2570
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens vermogen boven vrijlatingsgrens
Appellant verzocht bijzondere bijstand voor inrichtingskosten op grond van de WWB, maar het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees dit af vanwege het bezit van vermogen boven de vrijlatingsgrens van €5.795,-. Appellant bezit samen met zijn broer een woning in Suriname, waarvan de waarde voor de helft aan hem wordt toegerekend. De Raad concludeerde dat dit vermogen aanzienlijk hoger is dan de toegestane grens.
Appellant voerde aan dat zijn vermogen lager is vanwege mede-eigendom door andere broers en een hypotheekschuld, maar deze stellingen werden niet voldoende onderbouwd of konden slechts gedeeltelijk worden meegenomen. De hypotheekschuld werd voor de helft toegerekend, waardoor het netto vermogen nog steeds ruim boven de grens ligt.
De Raad oordeelde dat de wettelijke criteria van artikel 35 WWB Pro correct zijn toegepast en dat geen sprake is van zeer dringende redenen die bijzondere bijstand rechtvaardigen. Ook het beroep op artikel 16 WWB Pro faalde omdat appellant binnen de WWB-personenkring valt en niet voldoet aan de voorwaarden van die bepaling.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.