ECLI:NL:CRVB:2016:2564
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijstand in de vorm van lening bij overwaarde eigen woning en lening van ouders
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de WWB en beschikte over een woning met een WOZ-waarde van €161.000,- en hypotheken bij de Rabobank en haar ouders. Het college wees de aanvraag af wegens vermogen boven de vrijstellingsgrens, omdat binnen de hypotheekruimte nog €115.000,- beschikbaar zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de schuld aan de ouders geen daadwerkelijke terugbetalingsverplichting betrof en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de hypotheekruimte.
Het college verleende vervolgens bijstand in de vorm van een lening, waarbij het vermogen in de woning werd vastgesteld op €77.100,- en de bijstand werd verlaagd vanwege bijdragen van de ouders. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de lening van haar ouders wel een terugbetalingsverplichting inhield en dat zij geen extra lening bij de Rabobank kon verkrijgen.
De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de lening van haar ouders een afdwingbare terugbetalingsverplichting betrof, mede omdat de lening pas opeisbaar is na 2040 en de rente niet werd betaald of opgeëist. Ook was het onzeker of zij in de toekomst een extra lening kon verkrijgen. Daarom beschikte zij over vermogen boven de vrijstelling en kon bijstand slechts als lening worden verleend. Het beroep werd afgewezen en het beroep tegen het nader besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat bijstand als lening wordt verleend vanwege vermogen boven de vrijstellingsgrens en verklaart het beroep tegen het nader besluit niet-ontvankelijk.