ECLI:NL:CRVB:2016:2510
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld na zorgvuldige medische beoordeling UWV
Appellant was werkzaam als beheerder bij een buurthuis en meldde zich ziek wegens rugklachten. Na beëindiging van zijn dienstverband stelde het UWV vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht meer had op een WIA-uitkering. Later meldde appellant zich opnieuw ziek en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet.
Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant per 5 mei 2014 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij geschikt werd geacht voor functies als productiemedewerker, inpakker en medewerker tuinbouw. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De rechtbank vond het medisch onderzoek zorgvuldig en vond geen reden voor een onafhankelijk deskundigenonderzoek.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn pijnklachten onvoldoende waren meegewogen en dat hij niet in staat was de voorgehouden arbeid te verrichten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de klachten objectief waren beoordeeld. De Raad bevestigde dat appellant geschikt was voor arbeid en dat het bestreden besluit terecht in stand bleef.
De Raad benadrukte dat het recht op ziekengeld afhankelijk is van objectieve medische vaststelling van ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid, met uitzondering van de situatie na de maximale duur van ziekengeld, waarbij de maatstaf aansluit bij de beoordeling voor de WIA-uitkering. De Raad zag geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.