ECLI:NL:CRVB:2016:2442
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A. Stehouwer
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek vast dat hij samen met L een gezamenlijke huishouding voerde, terwijl zij op verschillende adressen stonden ingeschreven. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug.
Appellant betwistte het voeren van een gezamenlijke huishouding en stelde dat geen sprake was van hetzelfde hoofdverblijf of wederzijdse zorg. De Raad beoordeelde objectief de feiten, waaronder verklaringen van betrokkenen en getuigen, en concludeerde dat appellant en L feitelijk hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg voor elkaar droegen.
De Raad verwierp de bezwaren tegen het besluit en oordeelde dat appellant geen recht had op bijstand als alleenstaande. Ook de latere aanvraag om bijstand werd afgewezen wegens gebrek aan wijziging in omstandigheden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.