Betrokkene was arts-onderzoeker D bij het Academisch Medisch Centrum (AMC) en werd door een reorganisatiefunctie opgeheven. Na een periode van detachering en ziekte werd hij aangemeld als herplaatsingskandidaat met een herplaatsingstermijn die meerdere malen werd verlengd. Uiteindelijk verleende de raad van bestuur eervol ontslag wegens opheffing van zijn functie.
De rechtbank oordeelde dat het reorganisatieplan en de opheffing van de functie terecht waren, maar dat de raad van bestuur onvoldoende had aangetoond dat een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek had plaatsgevonden. Betrokkene kon pas vanaf november 2011 herplaatsingsactiviteiten verrichten, waardoor niet aan de minimale herplaatsingstermijn van zes maanden was voldaan. Dit leidde tot vernietiging van de ontslagbesluiten.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling en oordeelde dat de raad van bestuur niet bevoegd was tot ontslag wegens reorganisatie vanwege het ontbreken van een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek. De Raad veroordeelde de Staat tot een schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke procedure. Daarnaast werden proceskosten aan betrokkene toegekend.