ECLI:NL:CRVB:2016:23
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake persoonsgebonden budget 2013
Verzoekster heeft een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen voor het jaar 2013 van het Zorgkantoor. Na verantwoording van het pgb heeft het Zorgkantoor bij besluit van 25 maart 2014 een jaarafrekening verstrekt waarbij een deel van het budget werd teruggevorderd. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens verstrekte het Zorgkantoor een aangepaste jaarafrekening waarbij nog een openstaand bedrag resteerde.
De rechtbank heeft het beroep van verzoekster gegrond verklaard, de besluiten van het Zorgkantoor vernietigd en het oorspronkelijke besluit herroepen. Verzoekster heeft daarop een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om duidelijkheid te verkrijgen over de uitvoering van een vaststellingsovereenkomst en om te voorkomen dat het Zorgkantoor intensieve controle op de besteding van het pgb uitvoert.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de vaststelling en terugvordering van het pgb over 2013. Het Zorgkantoor heeft toegezegd de invordering van het openstaande bedrag op te schorten totdat de Raad in de bodemprocedure uitspraak doet, waardoor geen spoedeisend belang bestaat. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.