ECLI:NL:CRVB:2016:2298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- P.W. van Straalen
- J.T.H. Zimmerman
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid lening voor levensonderhoud
Appellant had recht op een WW-uitkering tot februari 2013 en werkte kort daarna enkele dagen. Hij vroeg bijstand aan per april 2013 en overlegdde bankafschriften waaruit bleek dat hij een bedrag van € 1.000,- van zijn ouders had ontvangen, bestempeld als lening.
Het college kwalificeerde deze lening als inkomen, waardoor appellant in april 2013 over voldoende middelen beschikte en geen recht op bijstand had. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in die periode financieel zo afhankelijk was dat hij voor levensonderhoud op de lening was aangewezen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen, omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen van het college waren gedaan.
De Raad concludeerde dat het college terecht het bedrag als inkomen had aangemerkt en dat appellant geen recht had op bijstand over de periode in kwestie. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.