Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:2249

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juni 2016
Publicatiedatum
16 juni 2016
Zaaknummer
14-6023 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 WWBArt. 54, derde lid WWBArt. 58, eerste lid WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens verzwegen bankrekeningen en kasstortingen

Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd door het college geconfronteerd met een herzienings- en terugvorderingsbesluit vanwege niet gemelde bankrekeningen van haar zoon en diverse kasstortingen.

De rechtbank oordeelde dat appellante de herkomst van de kasstortingen niet aannemelijk had gemaakt en dat de bedragen als inkomen moesten worden aangemerkt, waardoor herziening en terugvordering gerechtvaardigd waren.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de kasstortingen afkomstig waren van haar zoon, opbrengst verkoop auto en geleende bedragen. De Raad verwierp deze gronden, onder meer omdat de verkoopdatum niet overeenkwam en leningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip.

De Raad bevestigde dat periodieke betalingen van derden als inkomen worden beschouwd en dat het college op grond van de WWB verplicht was de bijstand te herzien en terug te vorderen.

Het hoger beroep en het verzoek om schadevergoeding werden afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand bevestigd.

Uitspraak

14/6023 WWB
Datum uitspraak: 14 juni 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
30 juli 2014, 14/1236 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Daarbij is tevens een verzoek om schadevergoeding gedaan.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. Namens appellante is verschenen mr. Kaya. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.C.N. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving vanaf 12 augustus 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Naar aanleiding van gegevensuitwisseling tussen het college en het Coördinatiepunt Fraudebestrijding, heeft een toezichthouder van de gemeente [woonplaats] een rechtmatigheidsonderzoek ingesteld. In dat kader heeft de toezichthouder dossieronderzoek verricht en heeft zij samen met de casemanager op 25 juni 2013 met appellante gesproken. Appellante heeft desgevraagd bankafschriften overgelegd van een op haar naam gestelde bankrekening bij de ABN AMRO met nummer [rekening a] (bankrekening 038). Voorts heeft zij bankafschriften overgelegd van twee bankrekeningen bij de ABN AMRO die op naam van haar inwonende minderjarige zoon [naam zoon] staan, een betaalrekening met
nummer [rekening b] (bankrekening 423) en een spaarrekening met nummer [rekening c]. Op de bankrekeningen 038 en 423 hebben in de maanden november 2011, december 2011, februari 2012, maart 2013 en april 2013 diverse geldstortingen plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 september 2013.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
15 oktober 2013 de bijstand over de periode van 1 november 2011 tot en met 30 april 2013 deels te herzien en deels in te trekken en de over die periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.928,52 van appellante terug te vorderen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante en haar inwonende minderjarige zoon in deze periode beschikten over bankrekeningen waarop diverse kasstortingen zijn gedaan. Appellante heeft de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de bankrekeningen van haar zoon en de kasstortingen op de bankrekeningen. De bedragen zijn aangemerkt als inkomen van appellante in de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden.
1.4.
Het college heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 3 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de kasstortingen, vermeld op het overzicht van 19 september 2013, niet zijn bestreden. Evenmin is in geschil dat appellante de bankrekeningen van haar zoon en voormelde kasstortingen niet aan het college heeft gemeld.
De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante de herkomst van de kasstortingen niet aannemelijk heeft gemaakt met de overgelegde verklaringen. Appellante heeft met de verklaring van V. Krastev (K), de vader van haar zoon, niet aangetoond dat hij over de tegoeden op de bankrekening 423 kon beschikken. Het college heeft de bedragen van de kasstortingen terecht tot de middelen van appellante gerekend en als inkomen beschouwd. Rekening houdend met deze inkomsten heeft het college de bijstand van appellante over de in geding zijnde maanden kunnen herzien dan wel intrekken.
3. Appellante heeft in hoger beroep betwist dat de herkomst van de kasstortingen onbekend is. Appellante heeft daartoe gesteld dat uit de verklaring van K blijkt dat hij beschikte over de bankrekening 423 van haar zoon en dat hij de kasstortingen heeft gedaan, dat het op
27 maart 2013 op haar bankrekening 038 gestorte bedrag van € 570,- de opbrengst is uit de verkoop van haar auto en dat de overige kasstortingen betrekking hadden op geleende bedragen die zij deels weer heeft terugbetaald.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank, en de in 2 verwoorde overwegingen waarop dat oordeel berust, worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat, ook als de vader van de zoon van appellante over het tegoed op bankrekening 423 kon beschikken, dat nog niet betekent dat appellante daarover niet kon beschikken.
4.2.
De door appellante gegeven verklaring over de herkomst van het bedrag van € 570,- wordt niet gevolgd, reeds niet omdat uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat de verkoop van haar auto op 19 juni 2013 heeft plaatsgevonden.
4.3.
De beroepsgrond dat de kasstortingen niet tot de middelen van appellante behoren, omdat het geleende bedragen zijn die nog deels moeten worden terugbetaald, slaagt niet. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de WWB niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138 en van
25 november 2014 ECLI:NL:CRVB:2014:3872). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.
4.4.
Het college was op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB, zoals dit artikel sedert
1 juli 2013 luidt, dan ook gehouden de bijstand van appellante over de in geding zijnde maanden in te trekken dan wel te herzien.
4.5.
Gelet op wat in 4.4 is overwogen was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB, zoals dit artikel sedert 1 januari 2013 luidt, gehouden de kosten van bijstand over de in geding zijnde maanden terug te vorderen.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. Voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding bestaat daarom geen grond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. ter Brugge en
D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2016.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) M.S. Spek

HD