Appellant was werkzaam als docent elektrotechniek en wiskunde en ontving een WW-uitkering na beëindiging van zijn dienstverband. Hij meldde zich ziek met psychische instabiliteit, COPD en astma. Het UWV stelde op basis van medisch onderzoek vast dat appellant geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid en beëindigde de Ziektewetuitkering per 28 juni 2014.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat hij niet in staat was voltijds te werken. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de artsen van het UWV rekening hadden gehouden met alle klachten. De Raad onderschreef dit oordeel en stelde vast dat de beperkingen vooral lichamelijk waren, en dat de psycholoog van appellant buiten zijn vakgebied trad door te concluderen dat voltijds werken niet haalbaar was.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.