ECLI:NL:CRVB:2016:221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig bedrijfsleider, vroeg een WIA-uitkering aan wegens psychische klachten. Het UWV stelde vast dat hij per 21 maart 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de verzekeringsarts voldoende had gemotiveerd waarom geen sprake was van ernstige psychische stoornis op de peildatum.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat er ook beperkingen op andere aspecten zoals werken met klanten en concentratie moesten worden erkend. Tevens stelde hij dat de verzekeringsarts vooringenomen was. De Raad oordeelde dat deze gronden een herhaling van eerdere bezwaren waren en onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er was geen aanleiding om een onafhankelijke psychiater te benoemen.
De Raad concludeerde dat de vastgestelde beperkingen juist waren en dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd medisch passend waren. Daarom was er geen recht op een WIA-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.