Appellante ontving vanaf 14 maart 2010 een WIA-uitkering. Na een interne melding over een niet gemelde inschrijving als zelfstandige bij de Kamer van Koophandel startte het UWV een onderzoek. Op basis van dit onderzoek trok het UWV bij besluit van 14 juli 2014 de uitkering met terugwerkende kracht in en vorderde het betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij haar inlichtingenplicht had geschonden.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij voldoende informatie had verstrekt en ontkende zij werkzaamheden als zelfstandige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat hoewel appellante de inschrijving als zelfstandige niet had gemeld, het UWV onvoldoende had aangetoond dat vanaf 14 maart 2010 het recht op uitkering niet meer kon worden vastgesteld. De bevindingen van het UWV betroffen vooral de periode vóór deze datum en boden onvoldoende aanwijzingen voor werkzaamheden na die datum.
Daarom vernietigde de Raad zowel het bestreden besluit als de uitspraak van de rechtbank, herroept het besluit van 14 juli 2014 en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante. Vanwege het tijdsverloop en de omvang van het onderzoek werd het UWV niet opnieuw in de gelegenheid gesteld om op het bezwaar te beslissen.