ECLI:NL:CRVB:2016:2032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- M.C.D. Embregts
- Rechtspraak.nl
Beëindiging onkostenvergoeding voor zittende medewerkers na intrekking regeling
Appellant was sinds 1986 werkzaam bij de gemeente Rotterdam en ontving een vaste onkostenvergoeding op grond van een gemeentelijke regeling. Deze regeling werd in 2009 ingetrokken voor nieuwe medewerkers en bevroren voor zittend personeel. Vanaf 2012 besloot het college de vergoeding ook voor zittende medewerkers te beëindigen, waarbij een afkoopsom werd toegekend.
De rechtbank oordeelde dat het gebruteerde deel van de vergoeding als loon moest worden aangemerkt, maar dat het college bevoegd was de regeling af te schaffen en een redelijke overgangsregeling te treffen. In hoger beroep betoogde appellant dat de vergoeding een arbeidsmarkttoelage was en dus onder het begrip salaris viel, wat beëindiging zou verbieden.
De Raad concludeert dat de vergoeding een onkostenvergoeding is en geen salariscomponent, mede gezien de oorspronkelijke doelstelling en fiscale behandeling. Het college heeft in redelijkheid besloten de vergoeding te beëindigen en de afkoopsom is ruim voldoende. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de bescherming uit het Sociaal Statuut faalt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De beëindiging van de onkostenvergoeding met een ruime afkoopsom is rechtmatig en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.