ECLI:NL:CRVB:2016:2008

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 mei 2016
Publicatiedatum
2 juni 2016
Zaaknummer
15/1823 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:35 AwbAlgemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering persoonsgebonden budget wegens ontbreken oriëntatie op gecontracteerd zorgaanbod

Appellante is geïndiceerd voor persoonlijke verzorging op grond van de AWBZ en heeft een aanvraag ingediend voor een persoonsgebonden budget (pgb). In haar budgetplan gaf zij aan niet te hebben onderzocht of de gewenste zorg werd geleverd door gecontracteerde zorgaanbieders van het Zorgkantoor.

Na een Bewust Keuze gesprek waarbij werd vastgesteld dat geen oriëntatie op zorg in natura had plaatsgevonden, wees het Zorgkantoor de aanvraag af op grond van artikel 4:35 Awb Pro. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard omdat zij zich niet had georiënteerd op het gecontracteerde zorgaanbod en er bovendien twijfel bestond over haar en haar zoon hun vermogen om de pgb-verplichtingen verantwoord uit te voeren.

De rechtbank bevestigde dit besluit en wees het beroep af. In hoger beroep bracht appellante geen nieuwe gronden aan. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van het persoonsgebonden budget wordt bevestigd.

Uitspraak

15/1823 AWBZ
Datum uitspraak: 25 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
27 februari 2015, 14/8982 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. Salhi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2016. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Zorgkantoor is vertegenwoordigd door
mr. N. Baytemir.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 21 januari 2014 heeft CIZ appellante geïndiceerd voor de zorg functie persoonlijke verzorging, klasse 1, op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
1.2.
Appellante heeft een aanvraag gedaan voor een persoonsgebonden budget (pgb). In het budgetplan van 27 januari 2014 heeft appellante verklaard dat zij niet heeft onderzocht of de zorg die zij wil inkopen ook wordt geleverd door zorgaanbieders die zijn gecontracteerd door het Zorgkantoor.
1.3.
Op 7 april 2014 heeft een “Bewust Keuze gesprek” plaatsgevonden met appellante, haar zoon [naam zoon] en een medewerker van het Zorgkantoor. In het verslag van dat gesprek is vermeld dat geen oriëntatie heeft plaatsgevonden op basis van zorg in natura.
1.4.
Bij besluit van 14 april 2014 heeft het Zorgkantoor de aanvraag afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:35 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.5.
Bij besluit van 17 september 2014 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 april 2014 ongegrond verklaard omdat appellante zich niet heeft georiënteerd op het door het Zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod. Bovendien bestaat het vermoeden dat appellante en/of haar zoon niet in staat zijn de aan een pgb verbonden verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellante heeft zich niet georiënteerd op het door het Zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod, zodat het Zorgkantoor gehouden was het pgb te weigeren. Volgens de rechtbank komt aan de verklaring van appellante ter zitting dat zij contact heeft gehad met Clementia niet de waarde toe die appellante daaraan gehecht wil zien, nu deze verklaring eerst ter zitting is gegeven en niet onderbouwd is met objectief verifieerbare stukken. Voor de door appellante voorgestane belangenafweging bestaat geen ruimte.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en heeft zij verzocht om schadevergoeding.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. De Raad ziet in deze gronden geen reden om de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen.
4.2.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2016.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) J.C. Borman

MO