ECLI:NL:CRVB:2016:1959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WW-dagloon bij overstap werk naar werk na 30 mei 2013
Appellant was sinds 8 juni 2009 werkzaam bij werkgever 1, waarvan de dienstbetrekking per 12 juli 2013 werd beëindigd wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Daarna werkte appellant van 8 juli tot 28 juli 2013 bij werkgever 2. Het UWV stelde bij besluit van 13 september 2013 het WW-dagloon vast op € 75,48, gebaseerd op het loon van werkgever 2. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het dagloon hoger moest zijn, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV het dagloon terecht had vastgesteld. In hoger beroep herhaalde appellant dat het dagloon hoger had moeten zijn, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat voor werknemers die na 30 mei 2013 zonder tussenliggende werkloosheid overstappen, artikel 12 van Pro het Dagloonbesluit niet van toepassing is. Het UWV mocht het dagloon baseren op het loon uit de laatste dienstbetrekking.
De Raad concludeerde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 12 omdat Pro hij geen recht had op een WW-uitkering na beëindiging bij werkgever 1. Daarom was de vaststelling van het dagloon door het UWV correct. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van het WW-dagloon door het UWV wordt bevestigd.