Uitspraak
1 juni 2015, 14/6284 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant meldde zich op 12 mei 2014 voor bijstand op grond van de WWB en voldeed aan een opgelegde inspanningsperiode. Hij stelde het college in gebreke wegens het niet tijdig nemen van een besluit en stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op 10 september 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen aanvraag om bijstand had ingediend na de melding. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel een aanvraag had ingediend en deed een beroep op het vertrouwensbeginsel.
De Raad oordeelde dat volgens de WWB de melding en aanvraag twee verschillende juridische begrippen zijn en dat een aanvraag bij het UWV moet worden ingediend. Appellant heeft onvoldoende onderbouwd dat hij een aanvraag heeft gedaan. De ontvangstbevestiging van het college kon geen gerechtvaardigd vertrouwen wekken dat een aanvraag was ingediend. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen aanvraag om bijstand is ingediend na melding.