ECLI:NL:CRVB:2016:174
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling brutering terugvordering inkomensvoorziening Wet investeren in jongeren
Appellant ontving een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ), die het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam introk omdat hij niet meer woonachtig was in Amsterdam. Het college vorderde vervolgens de teveel betaalde bedragen terug. Appellant stelde dat de vordering ten onrechte was gebruteerd omdat hij zijn detentie in Duitsland niet tijdig kon melden vanwege beperkingen en persoonlijke problemen.
De rechtbank had het bezwaar tegen de terugvordering aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn, maar deze beslissing werd vernietigd omdat niet vaststond dat appellant de besluiten had ontvangen. Het college stelde het bezwaar vervolgens gedeeltelijk gegrond en beperkte de terugvordering tot de periode vanaf de datum dat appellant in detentie was.
In hoger beroep betoogde appellant dat het college ten onrechte de vordering had gebruteerd, aangezien hij niet tijdig van de vordering op de hoogte was en niet kon betalen. De Raad overwoog dat op grond van artikel 54, vierde lid, WIJ het college kan bruteren tenzij voldaan is aan twee voorwaarden: de vordering is ontstaan buiten toedoen van appellant en het is hem niet te verwijten dat de vordering niet in het betreffende kalenderjaar is voldaan.
De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat hij niet in staat was zijn detentie eerder te melden. Zijn persoonlijke omstandigheden en het contact met een sociaal werker deden niet af aan zijn verplichting tot tijdige melding. Omdat niet aan beide voorwaarden was voldaan, was het college bevoegd de vordering te bruteren. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de brutering van de terugvordering bevestigd.