Uitspraak
11 februari 2015, 14/4596 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant sprak op 14 april 2014 met een medewerker van de gemeente Utrecht over het verkrijgen van bijstand volgens de WWB. De medewerker verwees appellant door naar de gemeente Rotterdam vanwege regiobinding, omdat appellant daar dakloos was geworden. Appellant diende echter geen schriftelijke aanvraag om bijstand in. Het college verklaarde het bezwaar van appellant tegen het niet toekennen van bijstand niet-ontvankelijk omdat geen aanvraag was ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college hem had afgehouden van het indienen van een aanvraag. De Raad overwoog dat volgens artikel 43 WWB Pro het recht op bijstand wordt vastgesteld op schriftelijke aanvraag of ambtshalve indien schriftelijke aanvraag niet mogelijk is. Uit vaste rechtspraak volgt dat bijstand in beginsel niet wordt verleend over perioden voorafgaand aan de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De Raad stelde vast dat appellant geen schriftelijke aanvraag had ingediend en ook niet aannemelijk had gemaakt dat hij daarvan was afgehouden. Appellant had ook niet gevraagd om een aanvraagformulier. Het college was niet nalatig; het was de eigen verantwoordelijkheid van appellant om tijdig een aanvraag in te dienen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een schriftelijke aanvraag om bijstand.