ECLI:NL:CRVB:2013:BY7962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- W.F. Claessens
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag aanvullende bijstand wegens niet tijdige indiening
Appellanten hebben zich op 11 juli 2007 gemeld voor aanvullende bijstand en wilden deze met ingang van 28 mei 2007 aanvragen. Zij kregen een afspraak op 18 juli 2007 om de aanvraag in te dienen, maar hebben pas in november 2009 daadwerkelijk een aanvraag ingediend. De brief van 15 juli 2007 van appellant aan de Sociale Verzekeringsbank (Svb) betrof uitsluitend een verzoek tot aanpassing van het AOW-pensioen en kan niet als een aanvraag voor aanvullende bijstand worden gezien.
De Raad oordeelt dat appellanten de aanvraag niet zo spoedig mogelijk na melding hebben ingediend en dat hen dit te verwijten valt. De tijdige indiening van een bijstandsaanvraag behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager. Het college heeft de aanvraag terecht afgewezen vanwege het ontbreken van een tijdige aanvraag en onvoldoende duidelijkheid over de inkomens- en vermogenssituatie.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag aanvullende bijstand is terecht afgewezen wegens niet tijdige indiening en verwijtbaarheid aan appellanten.