ECLI:NL:CRVB:2016:1679
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen besteding persoonsgebonden budgetten
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek door de sociale recherche van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) bleek dat appellant de ontvangen persoonsgebonden budgetten (pgb’s), bedoeld voor zorgkosten, deels had besteed aan eigen levensonderhoud en dit niet had gemeld. Tevens werd vastgesteld dat appellant beschikte over een relatief dure personenauto, wat aanleiding gaf tot nader onderzoek.
Het dagelijks bestuur van de ISD trok de bijstand in met ingang van 1 augustus 2006 en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode tot 1 februari 2013, omdat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van de pgb’s en de besteding daarvan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur bevoegd was het onderzoek in te stellen, ook al had Achmea al een controle uitgevoerd. Appellant had fouten gemaakt in de verantwoording van de pgb’s en gebruikte deze deels voor eigen kosten. Dit vormde een objectieve schending van de inlichtingenverplichting, ongeacht verwijtbaarheid of strafrechtelijke fraude. Door het ontbreken van een duidelijke administratie kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Daarom was intrekking van de bijstand en terugvordering van de kosten gerechtvaardigd. Het beroep van appellant faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten wegens het niet melden en verkeerd besteden van pgb’s wordt bevestigd.